Vak parkeren leren

Stap 1

Nadat je een parkeerplek gezien hebt volg je de volgende stappen. Kijk voor dat je begint met remmen naar voren, in je binnenspiegel, naar voren, rechterbuitenspiegel en over je rechterschouder of je gevaar (zoals: fietsers, bromfietsers, voetgangers) ziet aankomen. Als je iemand ziet aankomen, zorg dat je ze niet in gevaar brengt of onnodig hindert. Dus houw ze goed in de gaten tijdens het remmen! Na het kijken maar wel voor dat je remt geef je richting naar rechts aan. Stop met je met je passagiers gordel ter hoogte van het midden van het 3e vak. Het vak waar je in wilt parkeren noemen we vak P daarna tellen we door met vak 1, vak 2 en vak 3.

 

Stap 2

De ruimte tussen je auto en de parkeervakken moet ongeveer 1 tot 1,5 meter zijn. Schakel in zijn achteruit versnelling dat is de R van Reverse. Hierdoor gaat het witte lampje achter de auto automatisch aan, zodat de weggebruikers achter de auto kunnen zien dat je achteruit wilt gaan rijden. Kijk voordat je begint met rijden rondom de auto om te bepalen waar er eventueel gevaar vandaan zou kunnen komen en of er gevaar aan komt. Indien het veilig is ga je voorzichtig recht achteruit rijden. Zoals je geleerd hebt! Blijf hierbij ook om de 3 tot 5 seconden goed in je spiegels en over je linker en rechter schouder kijken.

 

Stap 3

Om op het juiste moment te gaan sturen gebruiken we hulpmiddelen we noemen dat referentiepunten. Rijd tijdens deze oefening rustig naar achteren. Je eerste referentiepunt om naar rechts te sturen is op het moment dat het midden van je auto ter hoogte van de passagiersgordel (zie rode pijl) gelijk is met de middellijn tussen vak 2 en 3 (of tussen de andere rode pijlen staat R1). Vlak voordat je stuurt ben je verplicht om nog een keer te kijken. Je kijkt dan naar voren, in je binnenspiegel, voren, linker buitenspiegel en over je linker schouder. Als het vrij is en je referentiepunt is bij de lijn dan stuur je rustig naar rechts terwijl je rustig rijd.

 

Stap 4

De ruimte tussen de linker voorkant van de geparkeerde blauwe auto en rechter achterkant van jouw auto moet tijdens het insturen voldoende blijven. Kijk ook in je binnenspiegel of er niemand achter de auto bevind en het veilig is om door te rijden.

 

Stap 5

Controleer tijdens het sturen regelmatig in je binnenspiegel, rechterspiegel en linkerspiegel of je voldoende ruimte hebt tussen de geparkeerde auto’s of strepen van het vak.

 

Stap 6

Als je netjes in het vak uit komt en bijna recht staat met de auto. Dan rij je nog rustiger en stuur je een halve slag terug naar links totdat je stuur recht staat. Je kunt dit controleren door naar voren te kijken of de ruimte links en rechts bijna even lang zijn met de lijn voor je. Als het goed is staan je banden nog niet recht.

 

Stap 7

Hierdoor blijft de auto verder draaien totdat het helemaal recht staat. Op dit moment stuur je nog 1 hele slag naar links, je stuur en banden staan nu wel samen recht. Nu kun je recht achteruit rijden totdat je netjes in het vak staat.

 

Stap 8

Bij het wegrijden kijk je om je heen. Geef richting aan naar links of rechts. Rij rustig naar voren totdat je spiegels gelijk staan met de voorste lijn van het vak. Daarna begin je met sturen naar links of rechts afhankelijk welke kant je verder door wilt gaan. Let wel op de geparkeerde auto’s naast je dat je niet te snel stuurt en met de achterkan van je auto tegen de andere auto aan komt tijdens het wegrijden.